Eerdere tekst van 22.02.01.herzien  op 02.03.01.
Zie hieronder: Oranje en bruin. Woltersom.
en Fasseur, falsificateur, en Wilhelmina, plus vervolg 2. Maxima.

Collaboratie.

De Nederlandse collaboratie van ambtenaren werd al in 1937 bepaald en voorgeschreven.
Met de mogelijkheid van een vreemde bezetting werd toen al rekening gehouden. (Alleen van Duitse kant leek daartoe dreiging te bestaan.)
De door de ambtenaren aan te nemen houding, in geval van een vijandelijke inval, was vastgesteld in de ministerraad van mei 1937, onder voorzitterschap van minister-president Colijn. De tekst luidde:
"Bezwaren tegen overschrijding van grenzen van volstrekte noodzakelijkheid mag men doen kennen, maar de medewerking bij de uitvoering van de te nemen maatregelen mag niet worden geweigerd."
Deze maatregel, die als de 'Aanwijzingen' bekend stond, zou nog op 21 oktober '43  worden bevestigd door de danmalige minister-president Gerbrandy - die toen met zijn 'regering' slechts de bevelen van koningin Wilhelmina uitvoerde.

Toen op 14 mei 1940 koningin Wilhelmina en de Nederlandse regering, zonder enig onderling overleg, in paniek uit Nederland waren gevlucht, bleven op een enkele uitzondering na de secretarissen-generaal als haar vertegenwoordigers achter.
Hitler bleek belang te stellen niet alleen in het kleine Nederland, maar in 'Groter Nederland' en zijn 'heiligste goederen'. Deze hier gebruikte termen drukten een bepaalde doelstelling uit, en zouden op 28 juli '40 door koningin Wilhelmina worden gebezigd. Zij bleken te betekenen: Nederland + zijn koloniën; als ook voor Duitsland rijke grondstoffenbron. Dit geheel bleek een goede plaats te bezetten in het harde hart van Hitler.

Het Reichskommissariat

Seyss-Inquart kwam in bezet Nederland als burgerlijk bestuurder.
Het decreet waarmee Seyss-Inquart was benoemd werd op 18 mei ondertekend. Seyss kwam direct onder Hitler te staan. Hitler benoemde hem in zijn militaire hoofdkwartier in de Eifel op 19 mei tot Reichskommissar voor Nederland, en zei tegen hem: "U moet een grote staat voeren." "Neem uw vrouw mee, want ik zou graag zien dat u met de Nederlanders sociaal bevriend raakt."
Seyss-Inquart kwam nog dezelfde dag in Den Haag. Hij zou een zo niet warm, dan toch willig, onthaal vinden. Tot 29 mei nog als niet-officieel-geïnstalleerd Reichskommissar.
De hoofdopzet van het Reichskommissariat was door Seyss-Inquart al vóór zijn komst in Berlijn ontworpen. Hij zou alle bevoegdheden krijgen. Kort gezegd: de secretarissen-generaal konden er de uitvoeringsvoorschriften van geven; de rechtspleging zou onafhankelijk zijn. Rechtstreeks ondergeschikt aan Seyss waren de General-kommissare:
- Wimmer voor Bestuur en Justitie (met uitzondering van alle politiezaken);
- Fischböck voor Financiën en Economie (en sociale zaken);
- Rauter voor das Sicherheitswesen ('openbare orde en veiligheid') en
- Schmidt zur besonderen Verwendung, vorming van de openbare mening, en de uitvoering van bijzondere opdrachten van de Reichskommissar.
Kernachtig uitgedrukt komt het hierop neer: "Wij sturen, de Nederlanders besturen."

De genoemde secretarissen-generaal onder Seyss Inquart in 1940 waren:
Snouck Hurgronje, Voorzitter van het College van secretarissen-generaal, Algemene Zaken, aanv. Buitenlandse Zaken
Van  Royen; (dagelijks bestuur)  Buitenlandse Zaken
Tenkink; (waarnemend) Justitie
Frederiks;  Binnenlandse Zaken
Van Poelje (tot augustus '40) Reinink; Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen
Trip; Financiën
Ringeling; (-6.40) Hasselman Defensie,  onder Hasselman als Afwikkelingsbureau
Spitzen; Waterstaat
Hirschfeld; Handel en Nijverheid
Scholtens, met assistent De Quay Sociale Zaken
Six; (O.E.W.) Koloniën
Woltman; vertegenwoordiger van het college bij Seyss-Inquart.
Goedewaagen, komt eind '40 (NSB'er)  Volksvoorlichting en Kunsten
Van Dam; Opvoeding, Wetenschap en Cultuurbescherming (nieuw departement)

Tal van door de Duitsers gewenste en opgedrongen maatregelen, waaronder de jodenvervolging, werden door de secretarissen-generaal van een Nederlandse wettig vernis voorzien, voor de niet al te kritische Nederlandse bevolking aanvaardbaar gemaakt, en ten uitvoer gebracht.
Gedurig bleef contact onderhouden tussen de secretarissen-generaal en de Nederlandse regering te Londen, alleenvertegenwoordigd door de ongrondwettelijk (conform L. de Jong) en dictatoriaal optredende koningin Wilhelmina. Dat bleek vooral bij de opvatting, dat Nederlands-Indië was geacht te worden opgenomen in de Germaanse Nieuwe Orde. Details daarover zijn te vinden in dat hoofdstuk.

De Nederlandse Unie

De Nederlandse Unie nam een bijzondere plaats in bij de collaboratie.
Op 2 juli verscheen Colijns brochure Op de grens van twee werelden. Daarin ging de voormalige minister-president - en in zijn koloniale periode 'een der ergste Atjeh-afmakers' - uit van de Duitse eindoverwinning. Men moest zich daar maar naar schikken.
Colijn had een concept opgesteld. Hij gaf dat de volgende dag  mee aan Linthorst Homan, de voorzitter van de Nederlandse Gemeenschap. Die besprak het  met De Quay en Reinink (Einthoven had zich teruggetrokken). Bovendien stelde Homan op 4 juli GeneralkommissarSchmidt op de hoogte "van zijn contact met de voormannen der politieke partijen."
Homan en de twee anderen van de Nederlandse Gemeenschap misten in Colijns concept de: "erkenning van het aanbreken van een tijd waarin ook Nederland /.../ moet streven naar een eigen aanvaarding der wereldverhoudingen naar Nederlandse trant".
Op 6 juli 1940 stelden Verschuur, Colijn, Drees, Homan, De Quay en Reinink vast dat hun nieuwe beweging als de 'Nederlandse Unie' zou worden aangeduid. Een Unie die "in trouw aan Oranje' uiting wilde geven 'aan wat in ons allen leeft."
De Nederlandse Unie wenste "een regering, bekleed met bevoegdheden tot het geven van krachtige leiding" en "legt de plechtige gelofte af, met God, in waarachtige tucht, in dienst van een nieuwe Nederlandse arbeidsgemeenschap, te doen wat plicht is, kome wat komt."
Geen anti-Duitse term, geen protest tegen de Duitse inval en de bezetting, geen eis tot herstel van onze nationale vrijheid, was hier te vinden.
De politieke instelling van de opstellers was intussen geïllustreerd. Hij zou door het merendeel van de Nederlandse Regering te Londen worden gedeeld.
"Het concept Verschuur-Colijn-Drees werd grondslag voor het op te stellen manifest."
"Vooral in tijden van druk toont een volk zijn ware grootheid en zijn innerlijke kracht door fierheid en eensgezindheid. Deze fierheid door daden te tonen, is onze plicht en ons recht nu de hoogste vertegenwoordiger van de bezettende macht in Nederland heeft uitgesproken, ons volkskarakter niet in het nauw te willen brengen ... eensgezindheid ook voor een wedergeboorte van Nederland in vrijheid en onafhankelijkheid, in trouw aan het Huis van Oranje."
Op 8 juli 1940 wordt dit stuk in vergadering door het Politiek Convent "met algemene stemmen goedgekeurd. Afgesproken werd dat het door een 'Nationaal Comité' zou worden ondertekend" en zou worden gepubliceerd met de namen van meer dan honderd vooraanstaande Nederlandse aanhangers.
Op 24 juli 1940 werd na wat vallen en opstaan de Nederlandse Unie opgericht, door mr. Louis Einthoven (hoofdcommissaris van politie in Rotterdam), J. Linthorst Homan (commissaris van de koningin in Groningen) en prof.dr. Jan Eduard de Quay (uit Tilburg).
Koningin Wilhelmina zou, conform L. de Jong, tot het einde van de oorlog de leden van dit Driemanschap als de 'Vernieuwers' zien. De Quay en Einthoven zouden na de bevrijding twee belangrijke sleutelposities innemen.
Daar echter de Nederlandse Unie zich opstelde tegen de NSB (National-Socialistische Beweging), en voorlopig de toekomst behalve voor de pro-Duitsen uitzichtloos is, grijpen velen deze strohalm maar vast. De pro-Duitse uitlatingen werden opgevat als een uitdaging als: 'kijk eens, wij zijn niet tegen jullie, dus laat nu maar eens zien wat jullie goede bedoelingen zijn.'
Dit past weer in het kader van de al eerder genoemd neiging om de zaken op te vatten zoals 'men zou willen dat het was geweest'.
Uw dienaar wil wel bekennen dat hij, aldus misleid, in die tijd het speldje van de Nederlandse Unie droeg.

Diverse vervangingen van de secretarissen-generaal vonden tot 1945 plaats.
Rost van Tonningen kwam in mei '41 als vervanger van Trip.
Verwey kwam in augustus '41 als vervanger van Scholtens.
Prinsen kwam in september '44 als vervanger van Frederiks op Binnenlandse Zaken.

- Hirschfeld, Handel en Nijverheid,
- Six, Koloniën, bleven vanaf het begin, met
- Verwey, Sociale Zaken, in '41 gekomen, tot het eind van de bezetting.

Oranje en bruin.
Wilhelmina, de secretarissen-generaal en Seyss-Inquart.
Collaboratie in bezet gebied en in Londen.
Woltersom en Van Haersma de With.

Hier wordt een uiterst onthullend aspect belicht van de collaboratie van Londen met de collaboratie in bezet Nederland. Het vond natuurlijk weinig weerklank, want het werd verdoezeld, maar het kan niettemin uit het geschiedwerk van De Jong worden gereconstrueerd.
De bankdirecteur Woltersom, in 1940 weldra lid van het Nationaal Comité voor Economische Samenwerking (met Duitsland), is voorzitter van de Siebenerausschuss, die regelmatig de Reichskommissar Seyss-Inquart en zijn Generalkommissar für Finanz und Wirtschaft Fischböck moet adviseren, "en vervolgens van een tweede commissie die het gehele bedrijfsleven dient te reorganiseren volgens het Duitse model."
De Jong schrijft: "politiek had dit alles van grote betekenis kunnen zijn: het paste in de Duitse opzet, het mocht door Seyss-Inquart gezien worden als een belangrijk succes op het terrein van de algemene gelijkschakeling, het zou de economische inlijving van Nederland bij Duitsland vergemakkelijkt hebben. Zo hadden Funk, Goering en Fischböck het in '40 ook bedoeld. De nieuwe organisatie van het Nederlandse bedrijfsleven was door hen als onderdeel gezien van het 'nieuwe Europa' "
Maar nu gaat De Jong, als veel historici, alvast verklaren: "maar dat 'nieuwe Europa' kwam niet van de grond".
Door die opmerking in deze tijd te plaatsen, vervalst hij het hele beeld: want dat het "niet van de grond" zou komen, wist men in die tijd toch nog niet. Men - in Londen en in Nederland - gaat er dan van uit, en bijna alles wijst er op, dat het wèl van de grond zou komen.
"Woltersom was ook voorzichtig. Het voorzitterschap van de Organisatiecommissie voor het Bedrijfsleven aanvaardde hij eerst nadat Snouck Hurgronje, voorzitter van het college van secretarissen-generaal, hem schriftelijk had doen weten dat het college het in 's lands belang achtte dat hij die functie aannam. Hij zocht zelfs een dubbele rugdekking: toen een Nederlandse bankier, Tj. Greidanus, in de voorzomer van '41 de gelegenheid kreeg (dwz.: toestemming van de Duitsers, van Seyss-Inquart), Zwitserland te bezoeken, vroeg Woltersom hem, bij het Nederlandse gezantschap te Bern te informeren, wat de Nederlandse regering te Londen van zijn activiteit dacht."
De voormalige Nederlandse gezant te Berlijn, Van Haersma de With, die op 20 mei '40 met andere Nederlandse vertegenwoordigers naar Zwitserland had mogen gaan, en daar bleef, krijgt er dan voor de Nederlandse regering te Londen contact met een vertegenwoordiger van de collaborateur Woltersom.
"Greidanus kwam te Bern (de Nederlandse gezant was er ziek) bij de vroegere Berlijnse gezant terecht, jhr.mr.H.J. van Haersma de With. Deze kende Woltersom goed en gaf, niet alleen met betrekking tot diens werk, maar ook tot dat van Snouck Hurgronje en Hirschfeld, geheel op eigen gezag ten antwoord: 'Londen heeft zeker volledig begrip voor hun situatie, laten zij rustig doorgaan.' " Ook in later jaren zal Woltersom "een ieder die hem met kritiek lastig viel, te horen (geven) dat 'Londen', 'de koningin dus, achter hem stond; er werd zelfs rondverteld dat hij daaromtrent een schriftelijk bewijsstuk in een kluis had liggen."
"Aldus gedekt" zet Woltersom door. Met Fischböck en Seyss-Inquart onderhoudt hij goede relaties. Woltersom loopt keurig in de pas en doet aan van alles mee. "Louter manoeuvres?"
Zo vraagt De Jong zich af. En hij geeft het antwoord - maar niet volledig:
"Aanvankelijk zeker niet". Woltersom was in '40 en '41 ervan overtuigd was dat Duitsland niet meer verslagen kon worden. Door het Nederlandse bedrijfsleven op te wekken zich op Duitsland te oriënteren, werden in die visie de Nederlandse belangen het best verdedigd door in beginsel met Duitsland samen te werken. En een gelukkig toeval wilde dat in beide gevallen "datgene wat Woltersom voor de Nederlandse belangen hield, samenviel met wat hij als zijn privé-belangen zag. Er waren er meer zoals hij."
Doelt L. De Jong hiermee op koningin Wilhelmina?
Bovenstaande opmerkingen van De Jong zitten vol dubbele bodems.
Hier komen wij weer op het terrein van L. de Jongs ingebouwde 'geheimtaal-boodschappen'. Als historicus is hij gedekt: hij heeft de feiten immers vermeld! Als verdoezelaar heeft hij zijn werk voorbeeldig gedaan, want hij gaat niet op de betekenis in!
De lezer moet zelf die betekenis maar distilleren.
Allereerst De Jongs opmerking, dat wie in '40 en '41 van overtuigd was dat Duitsland niet meer verslagen kon worden. Waarom telt hij daar 1942 niet meer bij? Want toen was, behalve aan het eind, aanvankelijk de situatie nog dezelfde, en nog sterker zelfs.
"Maar in een later stadium wenste Woltersom de Nederlandse belangen te verdedigen door, voorzichtig overigens en zonder samenwerking met de illegaliteit, Duitsland tegen te werken."
Wanner wij  echter, logisch, 1942 meetellen, wordt het genoemde 'later stadium' verplaatst naar medio '43!

Bovenstaande is bovendien in totale tegenspraak met de naoorlogse conclusie van de Parlementaire Enquêtecommissie. Omdat dit zeer verhelderend is, herinneren wij hem hier: "Het was immers voor de regering in Londen niet mogelijk, het beleid van de secretarissen-generaal, dat zich grotendeels achter de schermen afspeelde, op de voet te volgen. De regering had echter naar de mening van de Commissie in enkele bijzondere gevallen behoren te reageren, zij het wellicht niet over de radio, op wat de secretarissen-generaal hier in Nederland ondernamen; zij had hun in deze gevallen duidelijk behoren te maken, dat zij zich op de verkeerde weg bevonden."
Dat is dus duidelijk niet gebeurd.
De Parlementaire Enquêtecommissie geeft als voorbeelden van fouten, dat de regering te Londen  aan de secretarissen-generaal niet duidelijk heeft gemaakt, "dat zij zich op de verkeerde weg bevonden" Op 28 oktober 1941 werd in een proclamatie van Hirschfeld en Frederiks "de bevolking aangemaand /.../ zich van sabotagedaden te onthouden. In de Bekanntmachungen werden "de verzetsgroepen als 'onbezonnen en misdadige elementen' " gekenschetst. Beiden waarschuwen in oktober '41 "tegen het verborgen houden van neergeschoten vliegers, daarmee dus uitlevering van bondgenoten aan de vijand" suggererend.
Als tweede voorbeeld geeft de Commissie het besluit van Hirschfeld voor de oprichting van "de  zg. organisatie-Woltersom" ter ontwikkeling van het bedrijfsleven. Omdat hij hiermee "op eigen gelegenheid 'organieke wetten' ging uitvaardigen "ter uitvoering van de Grondwet." /.../ "hetgeen in bezettingstijd misleidend werkte."
Dit durft de Enquêtecommissie ijskoud te verklaren, terwijl wij weten dat, als eerder vermeld, in de voorzomer van '41 de Nederlandse regering te Londen de activiteit van Woltersom bij monde Van Haersma de With laat verklaren dat zij voor diens werk en ook dat van Snouck Hurgronje en Hirschfeld "volledig begrip (heeft) voor hun situatie, laten zij rustig doorgaan' " - en "dat 'Londen', 'de koningin dus, achter hem stond".
Waaruit blijkt, dat de Parlementaire Enquêtecommissie betreffend Woltersom ronduit liegt!
Maar ook de Enquêtecommissie is tenslotte mild in haar oordeel.
De meeste secretarissen-generaal hebben "in tal van opzichten onder de moeilijkste omstandigheden verdienstelijk werk in het belang van het Nederlandse volk /.../ verricht."

Nu komt hier nog een andere informatie over Van Haersma de With.
Men blijkt in Londen heel goed op de hoogte te zijn geweest van de situatie in Nederland.
In Londen ontving men een grote stroom rapporten uit Nederland. "De Ministerraad kreeg deze gegevens, Hare Majesteit eveneens, maar de rapportage liep zuiver en alleen over mij." Dat zegt de inlichtingendienstleider Lovink (waarover nog veel meer te vertellen valt).
Opmerkelijk is, dat Lovink geen gewag maakt van de dienst van Somer: het vanaf eind november '42 werkzame Bureau Inlichtingen, aanvankelijk onder leiding van Broekman en Somers vriend Gijs de Jong, maar dat in '43 pas goed van de grond komt met Bernhards oude GS-III relatie: Jan Somer.
Ter beloning werd Lovink in januari 1943 naar Tsjoenking weggewerkt, en opgevolgd door Van Haersma de With. Is het niet verbazend?
Als feitelijk raadadviseur van Gerbrandy gaat nu dienen de oud-gezant te Berlijn van Haersma de With - "een kleurloze man, waar weinig van uitging" zoals De Jong niet in dit verband vermeld, maar al eerder, waar hij meerderere malen Van Haersma de With zeer ongunstig heeft afgeschilderd. Men notere de tegenspraak in deze toestand.
Opmerkelijk is, dat deze Van Haersma de With dus onderwijl uit Zwitserland naar Londen is gekomen. Dat zal niet clandestien zijn gebeurd, zoals met Somer, maar met medeweten en hulp van de Duitsers. Die hebben daar dus kennelijk hun belang bij gezien. L. de Jong vermeldt niets over deze reis. Men herinnere zich in dit verband dat in de voorzomer van '41 Van Haersma de With  met betrekking tot het werk van Wolterson, Snouck Hurgronje en Hirschfeld ten antwoord gaf: 'Londen heeft zeker volledig begrip voor hun situatie, laten zij rustig doorgaan.'
Bovenstaande illustreert de nauwe verhouding - tussen minstens voorzomer '41 en voorjaar '43 - van deze "kleurloze man" met de Nederlandse regering, van zekere kleur, te Londen.

Pas medio '43 kwam in het 'later stadium', genoemd in verband met de collaboratie van Woltersom. Wiens taak inhield "de algemene gelijkschakeling", "de economische inlijving van Nederland bij Duitsland", waarbij " 'Londen', 'de koningin dus, achter hem stond". Waaromtrent  hij "een schriftelijk bewijsstuk in een kluis had liggen" en waarbij "datgene wat Woltersom voor de Nederlandse belangen hield, samenviel met wat hij als zijn privé-belangen zag. Er waren er meer zoals hij." Wij stelden de vraag: doelt De Jong hiermee op koningin Wilhelmina?
In feite werd in doorsnee reeds sedert 1940-'41 door velen voor 50% of zelfs voor 85% aan opdrachten voor de Duitse Wehrmacht gewerkt'.
Zoals de Duitsers en de Geallieerden nu de zaken anders zullen gaan zien, zo zal dat bij Woltersom en in Londen, bij Wilhelmina, het geval zijn.
Dat in Londen over het ontslag of aanblijven van secretarissen-generaal werd beslist bewijst nog het volgende: Het hoofd van het Bureau Inlichtingen, majoor Jan Somer, had op 22 juli '43 een bespreking met Van Haersma de With - zoals wij weten "een kleurloze man, waar weinig van uitging" - "die een telegram naar Bern wil hebben om advies of de drie secretarissen-generaal Hirschfeld, Verwey en Frederiks ontslagen moeten worden. "Persoonlijk ben ik er op tegen om ze te ontslaan", merkt Somer op.
Wij hebben hier dus de wonderlijke situatie, dat Van Haersma de With, de man die zomer '41 in Zwitserland Woltersom namens Londen heeft aangemoedigd om door te gaan met zijn zware collaboratie met de Duitsers en de secretarissen-generaal, zich met een eventueel ontslag van enige secretarissen-generaal gaat bemoeien. Dat doet hij als 'raadadviseur' van Gerbrandy, die onder de orders van koningin Wilhelmina staat.
Van dat ontslag zal overigens niets komen. Frederiks zal uit eigen initiatief ' onderduiken', en Hirschfeld en Verwey zullen tot het eind van de oorlog aanblijven!
En ook Six? Over een voortijdig aftreden van Six valt bij De Jong niets te vinden.
Onderwijl was de praktische uitvoering van het Englandspiel in mei 1943 gestaakt.

Bevrijding en ontzetting.

Werden de collaborateurs na de bevrijding gestraft? Daarvan kwam, tot ontzetting van voormalige verzetsstrijders, weinig van terecht. Deze ambtenaren, die de eed van trouw aan de koningin hadden afgelegd, werden voor hun trouw beloond.
Ziehier wie er terugkwamen.
De secretarissen-generaal van het kabinet Ministerie-Schermerhorn-Drees, 24 juni '45 - 3 juli 1946 (vet gezet de namen van de oud-collaborateurs):
Prinsen, Binnenlandse  Zaken
Snouck Hurgronje, Buitenlandse Zaken
Sanders, Algemene Oorlogsvoering
Tenkink, Justitie
Van Poelje (tot aug. '45) Reinink, Onderwijs Kunsten en Wetenschappen
s'Jacob, Financiën.
Ringeling (kort) Rietveld, L.C. Oorlog
Van Houten, Marine
Mouton, ir. H.W. Openbare Werken en Wederopbouw
Spitzen, Verkeer & Economie
Bonnerma, Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening
Van Rhijn, Soc. Zaken
Six, Overzeesche Gebiedsdelen

Ook de oud-collaborateurs van de Hoge Raad vond men terug.

Bezetting en collaboratie.

Wie niet voor was, was tegen, wie niet tegen was, was voor.
Vanuit dit oogpunt gezien collaboreerde in Nederland een overgrote meerderheid tijdens de Duitse bezetting.
Wie een juist begrip wil hebben van de stemming van toen, moet de verhoudingen van toen kennen.
Die waren slechts in bepaalde opzichten anders dan die van vandaag.
De Nederlandse economie dreef op de Duitse. Nederland was overheersend afhankelijk van het Duitse achterland - en diens economische situatie.

Hoe was in Nederland de vooroorlogs stemming ten opzichte van Duitsland? Men volgde er de economische - en de daarbij overheersende politieke ontwikkelingen - met grote belangstelling.
Anton Mussert, ingenieur bij de provinciale waterstaat in Utrecht,  had in 1925 veel sympathie verworven. Toen was er een verdrag gesloten verdrag tussen België en Nederland, over de aanleg van twee kanalen. Een van Antwerpen naar Ruhrort, en een van Antwerpen naar de Moerdijk. Directe Belgische verbindingen met het achterland Duitsland dus, waardoor men in Rotterdam ernstige concurrentie vreesde.
Anton Mussert had de stoot gegeven tot oprichting van een nationaal Comité van actie tegen dat verdrag. Mr.J. Luden, president-commissaris van de Nederlandse Bank, werd er voorzitter van, Mussert de onvermoeibare secretaris en organisator. In november '26 werd het verdrag door de Tweede Kamer krap aangenomen, maar in maart 1927 door de Eerste Kamer verworpen.
In 1931 werd door Mussert de pro-Duitse en Oranje-gezinde NSB, opgericht. Het hoofddeksel van de jongens van de Jeugdstorm werd gesierd met een oranje top.
Het feit dat Hendrik, 'Henri' Deterding, de president-directeur van de Koninklijke Olie, 'Koninklijke'/Shell, aan de NSB financiële steun bood, was (achteraf gezien) niet aanbevelenswaardig voor een mooi imago van het huis van Oranje-Nassau. Maar wie zou dat toen, en nu nog, een zorg zijn?
In 1931 werd in de pers gemeld dat Deterding ook nog aan Hitler 30 miljoen pond had geleend tegen de belofte van een olie-monopolie. Anderen noemden 55 miljoen pond. Louis Lochner, voormalig buitenlands correspondent en autoriteit op het gebied van relaties tussen Hitler en big business noemde 10 miljoen mark.
Met zoveel bronnen die het eens zijn over deze zaak, kan er weinig twijfel bestaan dat Deterding Hitler financierde. Alleen het ware bedrag is onzeker gebleven. Maar de aandeelhouders moesten er achter hebben gestaan. Wie waren dat? U mag het raden!
Dr C.Gerretson, ook al verbonden met de 'Koninklijke', die als tussenpersoon fungeerde voor BPM (Bataafse Petroleum Maatschappij)-directeur Colijn en zijn Duitse relaties, werd dit jaar voorzitter van de NU, Nationale Unie, en nu brak daarvoor een periode van hernieuwde activiteit en radicalisering aan.
Ook de Nederlandse vooraanstaande industrieel dr.F.H. Fentener van Vlissingen ondersteunde in de jaren twintig de Duitse NSDAP, Nationaal-Socialistische Duitse Arbeiders Partij.
In mei 1932, toen Hitler in Duitsland op de drempel naar de machtsovername stond, werd op aandringen van koningin Wilhelmina het Nederlandse Volkslied 'Wie Neerlands bloed door d'adren vloeit', vervangen door het 'Wilhelmus van Nassauwe ben ik van Duitsen bloed'. (Zie voor meer informatie onder: traditie.)

Duitsland nam al sinds lang vóór de oorlog op het vasteland van Europa een overheersende plaats in. Al sinds een eeuw bestond tussen Groot-Brittannië en Duitsland de stilzwijgende overeenkomst: de één zijn Imperium, de ander de baas over het Europese vasteland.
De Duitse techniek was de rest van de wereld op allerlei gebied ver vooruit.
Duitsland was in de vooroorlogse jaren het enige land waar geen werkloosheid heerste. Veel Nederlanders vonden er werk.
Al ver voor de oorlog drukte Duitsland een stempel op veel cultuuruitingen. De Duitse 'Kultur' gaf op het vasteland van Europa, en zeker in Nederland, de toon aan, en werd alom gewaardeerd.
Duitse 'Schlagers' werden door heel Europa en nog verder meegezongen, meestal in vertaalde versie - zoals bijvoorbeeld 'Dat is het leven der matrozen' of 'Lily Marleen', een op bestelling van Goebbels gemaakt lied, waarmee Marlene Dietrich furore maakte.
Duitse films boekten grote successen. Die van Leni Riefenstahl over de Olympische Spelen van 1936 werd diverse malen bekroond, ook in Hollywood. Geen woord van kritiek werd geleverd op haar inderdaad baanbrekende werk, terwijl haar na de oorlog nazi-propagandisme zou worden aangesmeerd - waarbij vergeten werd dat de prijsuitreikers daaraan even hard hadden meegedaan.
Soms werd en wordt er kritiek geleverd op de deelname van Nederlandse sportbeoefenaren aan deze Olympische Spelen, die een grote nazi-propaganda-onderneming was. Deze kritiek mocht natuurlijk ook gelden voor de toeschouwers. Onder hen was prinses Juliana, daarheen begeleid door Koningin Wilhelmina, zogenaamd voor het eerst de SS'er prins Bernhard te ontmoeten (zoals Wilhelmina in haar boek Eenzaam maar niet alleen bezijden de werkelijkheid vermeldde). Waarmee de nazi-propaganda oranjekleurig werd opgeluisterd.
Een multinationale 'Einheitsgetränk'-frisdrank maakte er Eiskalt van gebruik om zich bekend te maken. Midden in de oorlog, in augustus '42, kwamen haar bankiers nog in Duitsland met Hitler praten om deze door de Ersatz-drank Fanta te vervangen.
Opgemerkt kan nog worden, dat ook vandaag nog een voormalig (?) fascist de Olympische spelen beheert, en dat kroonprins Willem Alexander daarmee te maken heeft.
De Duitse nazi-massademonstraties gaven een indruk van wilskracht, doelbewustheid en organisatietalent.
Op politiek gebied werd in september 1938 bij het Verdrag van München  ook nog even, over de rug van de Tsecho-Slowaken, een akkoord met Hitler gesloten.
In september 1939, na de Duitse inval in Polen, zou zogenaamd de Tweede Wereldoorlog zijn begonnen. In feite deden de Geallieerden niets.
Kortom, de collaboratie met de Duitsers vierde overal hoogtij.

Onderwijl ontvluchtten illustere (vaak joodse) koppen het dreigende en heersende nazi-gevaar. Albert Einstein, Fritz Lang, Marlene Dietrich, om er maar een paar te noemen.
Men stelle zich even voor, welke plaats Duitsland in de wereld had kunnen innemen, wanneer de geweldige Duitse krachtsinspanning, het enorme enthousiasme, dat nu door Hitler zou gaan worden misbruikt, toen voor vreedzame doelen zou zijn ingezet!

Na de Duitse inval op 10 mei 1940, en aanvankelijk tijdens de er op volgende bezetting, bleef deze Duitse (cultuur-)overheersing, nog versterkt, bestaan. Eenvoudig omdat er nauwelijks cultuuruitingen van elders werden vertoond.
De Duitsers, die zeiden te zijn gekomen om ons te beschermen tegen een Britse overval en overheersing, gedroegen zich aanvankelijk en naar de voorschriften 'correct en beleefd', voor zover men ze zag. En dat was hoofdzakelijk in de steden, waar gebouwen werden gevorderd om allerlei instanties onder dak te brengen; zoals de met een groot gevelbord aangeduide Ortskommandantur. Daar werd met poppenkastvertoon de wacht gewisseld; op pleinen gaf de Wehrmachtkapelle openbare straatconcerten met marsmuziek en Wener walsen ten beste. Op het platteland merkte men in dat eerste bezettingsjaar nauwelijks iets van de Duitse aanwezigheid.
Tal van eerder verwaarloosde categorieën van bevolkingsgroepen, zoals de boeren en landbouwers met de Landstand, kregen eindelijk belangstelling en hun eigen organisatie. De sociale verzekering werd verbeterd. Menig oud-padvinder, het spoorzoeken met gekleurde wollen draadjes in de struiken moe, keek met jaloezie naar de mogelijkheden van motorrijden en zweefvliegen, die bij de Hitlerjugend bestonden.

De algemene weerstand van de traditioneel Duits georiënteerde Nederlandse bevolking was dan ook onbetekenend, en zou dat in feite blijven. Wie niet aan den lijve of in familieverband door oorlogshandelingen was getroffen, stond bij de nu ontstane situatie niet stil. Waar geen familielid was gesneuveld, wie niet direct betrokken was geweest bij bijvoorbeeld het bombardement van Rotterdam - na Warschau de tweede directe aanval op een burgerbevolking - was die meidagen van '40 gauw vergeten. Zoals ook nagenoeg niemand stil stond bij de jodenvervolging - en decennia later bij de nog veel beestachtiger Amerikaanse bombardementen op de burgerbevolking in Vietnam. Deze onverschilligheid kwam de Duitse bezetter ten goede - zoals ook later de Amerikanen...

Zoals de Beatles en de Rolling Stones en filmsterren later de jeugd begeesterden, zo voedden o.a. Hans Albers en Johan Heesters (van Nederlandse afkomst), Christine Söderbaum, Ilse Werner en Zarah Leander, de fantasmes van het (jeugdige) publiek van toen - vóór de Duitse inval en ook tijdens de bezetting. Temeer omdat toen in de bioscopen en via de Nederlandse radio weinig anders dan Duitse producties werden gebracht. Een kleine minderheid van de gebrachte films waren duidelijk nazi-, of antisemitische propaganda. De meeste waren gewoon onderhoudende films, zoals die met het uitstekende grappige Duitse Laurel en Hardy koppel: Hans Moser en Theo Lingen, of Quax der Bruchpilot met Heinz Rühmann, die een joodse vrouw te verdoezelen had. De 'Franse' film Les enfants du paradis, die na de oorlog in Nederland zoveel succes boekte, werd met collaborerende Franse acteurs en actrices in het Duitse Hollywood, Babelsberg, gedraaid - met decors welke door een ondergedoken en door Duitse acteurs geholpen joodse ontwerper waren gecreëerd. Zoals men ziet: het was niet alles zwart-wit.
Al was de jazz tot decadente negermuziek verklaard, het Nederlandse dansorkest The, later De Ramblers bijvoorbeeld, en ook Duitse orkesten konden met swing, tot Schwung geworden, overweg. Wanneer een nummer als Black Bottom maar in Zwarte Bodem was vertaald, liet de censuur het er verder bij.
Van tijd tot tijd werd er, na een Duitse tegenslag, een periode van dansverbod afgekondigd.

Het is al opgemerkt, zolang men maar niet aan den lijve ondervond wat de Duitse bezetting in feite betekende - mede omdat men daartoe met zijn (verzets)gedrag geen aanleiding toe gaf - ging het leven aanvankelijk gewoon door. Behalve de er direct bij betrokkenen, joden en toeschouwers, maakte de overgrote meerderheid zich over de jodenvervolging niet druk. Een uiterst gering aantal, een ½% volgens geschiedschrijver De Jong, bood daadwerkelijk verzet en hulp. Christelijk gelovigen deden daar aan mee, anderen onder hen vonden in de jodenvervolging de uitvoering van de in de bijbel reeds voorspelde gerechtigde straf. Al is de herinnering daaraan nu ook een van de taboes.
Pas toen men bij de verplichte tewerkstelling in Duitsland zelf gevaar ging lopen bij de bombardementen, en nog later toen de maag door honger werd aangetast, ging men tegenwerken door onder te duiken. Ware verzetslieden zorgden daarbij, met door levensgevaarlijke overvallen verkregen papieren, voor de verschaffing van de nodige bonkaarten.
Bovenomschreven 'ouwe koek' van onverschilligheid tegenover wantoestanden vindt men vandaag nog even vers en onveranderd terug.
Ook vandaag gaat de ellende van anderen de meerderheid niet aan. Het leed van de derde wereld, de moordpartijen in Algerije en Nigeria, anderszins en algemener de catastrofale Amerikaanse cultuur- en multinationale milieu-verpesting - en de onnoemelijke rest - dwingen de meesten niet om daartegen daadwerkelijk verzet te plegen, en belet hen niet te slapen. Maar daarmee moet je, zoals hier gebeurt, de mensen niet vervelen, als je communicatie tot stand wilt brengen. Daarom komen ook de media er, soms, maar mondjesmaat mee op de proppen.
Internationaal werd druk met Duitsland gecollaboreerd. In 'Zaken doen tot elke prijs' wordt daarover een boekje opengedaan. Ook hierbij gold: Wie niet voor was, was tegen, wie niet tegen was, was voor. Neutrale landen als Zwitserland, Zweden en een paar Zuid-Amerikaanse hebben er dik aan verdiend.

Men oordele dus de voormalige Nederlandse passieve collaborateurs niet te hard. Zij waren en zijn niet méér te blameren dan het huidige meelopende 'klootjesvolk'. Bij deze barmhartigheid behoren natuurlijk niet te worden inbegrepen: zij die opzettelijk verraad hebben gepleegd, die joden en hun beschermers, en verzetslieden bij de Duitsers hadden aangebracht. Dat gebeurde soms uit naastenliefde. Uw dienaar werd nog nà de bevrijding verschillende malen door weldenkenden verweten, deel te hebben uitgemaakt van hen, die door hun daden de Duitse represailles hadden uitgelokt!

De anti-Duitse houding van de huidige Nederlandse jeugd is volkomen misplaatst. Ook al omdat de huidige Duitse autoriteiten en het huidige Duitse volk zich voorbeeldig gedragen waar het de aanvaarding en verwerking van hun verantwoordelijkheid in de geschiedenis betreft.

Daar is men in Nederland nog lang niet aan toe.
Kijk maar:

Fasseur, falsificateur, en Wilhelmina.

Het tweede deel van de Wilhelmina-biografie van Cees Fasseur is op 21 februari uitgekomen. De pers heeft er al over gemeld, de Nederlandse schotel-tv (NOS-journaal) van die dag praat erover.
Er is spraken van, dat Koningin Wilhelmina prinses Juliana tijdens de bezettingsjaren heeft aangeboden af te treden en plaats te maken voor haar. Dat blijkt uit een brief van de in Londen residerende Wilhelmina aan de in Canada verblijvende Juliana.
"In die brief bracht de vorstin een regeling met de Duitsers ter sprake, waarbij Nederland in een Duits Europa toch een zekere zelfstandigheid zou behouden, iets dat vooral speelde in de gedachte van de toenmalige premier in ballingschap De Geer.
Dan komt er de opvatting van Fasseur, die niet als zodanig is aangekondigd!
"Wilhelmina moest absoluut niets van enige afspraak met de Duitsers hebben, maar als Juliana andere mogelijkheden zag:"
Dan komt wat Wilhelmina wèl zelf heeft geschreven:
"Welnu, dan zal ik je de kans niet onthouden, dan zou jij het moeten probeeren."
Volgens Fasseur (!) was dit "in feite een aanbod om af te treden", maar Juliana stelde zich loyaal achter haar moeder op in haar onverzettelijkheid tegenover de vijand, iets wat Wilhelmina ook duidelijk verwacht had:
Terwijl er in de brief van onverzettelijkheid totaal geen sprake is. Wilhelmina vervolgde:
"Theoretisch vermoed ik dat ons oordeel hetzelfde is: vrij, zonder meer, met onbelemmerde mogelijkheden de noodzakelijke schoonmaak en opbouw tot stand te brengen."
"Ik heb geen kamer om mij te hinderen, dus kan ik naar een zakelijke oplossing streven."

Als wij dus even op een rijtje zetten, wat er werkelijk is gebeurt, dan is dat dit:
Wilhelmina schrijft een brief aan Juliana:
over "een regeling met de Duitsers /.../, waarbij Nederland in een Duits Europa toch een zekere zelfstandigheid zou behouden, iets dat vooral (maar dus ook bij anderen, CD) speelde in de gedachte van de toenmalige premier in ballingschap De Geer."
"Welnu, dan zal ik je de kans niet onthouden, dan zou jij het moeten proberen."
"Theoretisch vermoed ik dat ons oordeel hetzelfde is: vrij, zonder meer, met onbelemmerde mogelijkheden de noodzakelijke schoonmaak en opbouw tot stand te brengen."
"Ik heb geen kamer (Kamer) om mij te hinderen, dus kan ik naar een zakelijke oplossing streven."

Wat betekent dit? Wilhelmina (de 'rijkste vrouw van de wereld') wil dus, 'met onbelemmerd mogelijkheden' en 'geen Kamer' om haar 'te hinderen' 'naar een zakelijke oplossing streven'.
Hoe? Dat zal zijn door collaboratie in het kader van die 'regeling met de Duitsers, waarbij Nederland (Nederlands-Indië inbegrepen!) in een Duits Europa toch een zekere zelfstandigheid zou behouden, iets dat vooral (maar dus ook bij anderen) speelde in de gedachte van de toenmalige premier in ballingschap De Geer.
De situatie wordt duidelijker, wanneer men weet dat de minister van Buitenlandse Zaken Van Kleffens op 22 juli '40 voor de ministerraad al een nota had opgemaakt. Hij achtte "het niet onmogelijk, dat ook Nederland, en misschien België, ten slotte buiten het onder Duitse leiding gestelde continentale blok zal kunnen vallen." En "het feit, dat het Nederland niet geheel tot de continentale sfeer behoort (de cijfers van de handelsbeweging spreken te dezen aanzien een duidelijke taal, en ons overzeese imperium onderstreept het krachtig) kan ons in niet te ongunstige omstandigheden, helpen om buiten het Duitse vastelandsblok te blijven, zonder deswege in de Britse sfeer op te gaan"
Van Kleffens werd door Wilhelmina niet de laan uit gestuurd.

De Geer, die eerst naar Indië zou gaan, werd dan ook al in februari '41, via Berlijn, waar hij inzage gaf van de notulen van de Nederlandse Ministerraad te Londen, naar Nederland gestuurd.
Wilhelmina zal bij dit alles haar eigen onGrondwettelijke gang gaan. Zoals zelfs ons aller officiële geschiedverdoezelaar De Jong herhaaldelijk aantoont. En daar wijzen dan ook verder alle feiten op.

Het commentaar van het NOS-journaal is volkomen gekleurd volgens de gebruikelijke flinke en onverzettelijke Oranje-traditie.
Cees Fasseur, geïnterviewd over de brief, zegt: "Nou, ik denk dat 't niet echt echt gemeend was door Wilhelmina." Juliana weigerde het aanbod van Wilhelmina om haar op te volgen; alsof Juliana iets kon weigeren aan haar bazige moeder. Waar niet over wordt gesproken is: dat Wilhelmina het dus zèlf doet! Ook aan de 'regeling met de Duitsers' wordt verder geen aandacht gewijd!
Wat betreft de na-oorlogse situatie: "Wat ze eigenlijk wilde was een Nationaal Kabinet".
Dat lukte aanvankelijk nog aardig. Tal van secretarissen-generaal - de officiële vertegenwoordigers van de Londense regering (dus de overheersende Wilhelmina) bij Seyss-Inquart, die dus met toestemming van de regering en Wilhelmina met Seyss-Inquart hadden gecollaboreerd, kwamen na de bevrijding weer in die functie in de door Wilhelmina samengestelde regering Schermerhorn-Drees. Ook de Hoge Raad, die met oa. de jodenvervolging gecollaboreerd hadden, werd weer hersteld.

Fasseur, falsificateur, en Wilhelmina 2.

Door een toeval raakte ik verzeild in een doort 'discussiegroep' betreffende de Maxima-affaire, en werd ik kersvers deelnemer aan 'referendum.nu'. Ik zond diverse e-mails, en merkte daarbij aan de laatste op:
"Deze zaak lijkt mij niet los te kunnen worden gezien van het het Huis van Oranje in zijn geheel.
Met Maxima is het probleem, dat zij uit een vuil nest komt.
Maar hoe staat het met de properheid van het Oranje-nest?
Dit onderwerp blijkt in ons 'democratische' Nederland zwaar taboe.
Sinds meer dan tien jaar houdt ik mij dagelijks intens bezig met het Englandspiel en
aanverwante zaken. Ik, tijdens en na de oorlog gematigd Oranjeklant, kwam van een kouwe en
onthutsende kermis thuis.
De rol van koningin Wilhelmina in Londen blijkt er een van collaboratie te zijn geweest (een paar woorden hier 'aangedikt').
Een deel van het explosieve resultaat van mijn zeer gedegen en gedocumenteerd onderzoek is te
vinden op internet: http://perso.wanadoo.fr/doofpot.nl/
Door een toeval raakte ik betrokken in een 'discussiegroep' over de Maxima-affaire. Ik zond
verschillende e-mails. De laatste kunt u hieronder vinden. Maakt de borst maar nat.

Regeling 1.

Hierbij een rectificatie, en mijn verontschuldigingen. In mijn e-mail van 23.2 werd Boersma
genoemd. Dit moet zijn Boerstra (hier voeg ik toe, dat ik daarin noemde het feit dat
Boerstra en Jongejan uit bezet Nederland naar Batavia werden gezonden, met het oog op
de integratie van Nederlands-Indië in de Nieuwe Orde in Europa). Boersma komt hieronder
nog aan bod.

Regeling 2.

Ook de Nederlandse media werken volgens het poldermodel: water naar de zee dragen.
Daar zij alle al jarenlang hardnekkig weigeren, ook maar de minste regel uit mijn aan ze
toegezonden teksten te publiceren, vergeve men mij dat ik graag gebruik maak van de mij in de
schoot geworpen Maxima-adressenlijst.
Daaruit zijn nu de vijf protesterende, maar niet argumenterende, Oranjeklanten afgedankt. Zij
blijken absoluut niet voor rede vatbaar, willen daar zelfs geen kennis van nemen. Ik wenste ze
van harte beterschap, met de geruststelling: 'Ik ben zelf ook pas vrij laat door schade en schande
wijs geworden.'
Dat het moeilijk is om mensen te interesseren, of schijnbaar geïnteresseerde mensen tot meer
belangstelling te wekken voor belangrijke zaken, blijkt uit het feit dat, sinds ik kennis heb gegeven
van het adres van mijn web-site http://perso.wanadoo.fr/doofpot.nl/ slechts 5 mensen hem
hebben geraadpleegd. Of toon ik mij nu te ongeduldig? Maar gelukkig kreeg ik van drie mensen
bemoedigende boodschappen. (inmiddels vijf)

Regeling 3.

Uit de diverse recensies van de biografie over Wilhelmina van Fasseur (kind van de Bataafse
'oliegarchie') komt vooral haar (al overbekende) arrogantie naar voren. De professionele
babbelaarster Mieke van der Wey (presentatrice in o.a. studio-nl tv-wereldomroep) vindt het
"ontzettend leuk wat er allemaal in die brieven staat."
Maar het is meer ontzettend, dan leuk. Over de ontzettende, in een brief aan Juliana genoemde,
'regeling met de Duitsers', haar 'naar een zakelijke oplossing streven', zag ik door niemand
iets gevraagd of vermeld. Terwijl dit de kern van Wilhelmina's collaboratie betreft, en haar
implicatie in het latere Englandspiel.
Het zit er zo bij de Nederlanders ingeheid dat moedertje Wilhelmina, op een paar
(on)hebbelijkheden na, onberispelijk is - dat zij, gelijk vadertje Stalin eertijds, blindelings wordt
aanbeden. Alles moet met haar koek en ei zijn, en eeuwig blijven.
Iets dergelijks gebeurde en gebeurt ook elders.
Niet alleen de 'standvastige' Wilhelmina, ook de onwankelbare Churchill zag in de eerste jaren
van de oorlog iets in een regeling. Zodanig, dat Amerikanen over zijn wijfelachtig gedrag een
onderzoek instelden, waaruit de reden van die regeling (die een begin van uitvoering vond in het
Englandspiel) naar voren kwam.
Ik benadruk daarbij gedurig, dat de geschiedenis niet alléén zo was, maar dat die óók zo was.
Er werd tijdens de oorlog, door alle partijen, gedurig op verschillende paarden tegelijk gewed.
Een zeer ernstige opmerking moet hier worden gemaakt.
Het gaat hier niet om abstracte geschiedenis.
Bij deze werkelijke geschiedenis zijn indertijd honderden van de beste Nederlanders op een
verschrikkelijke manier omgekomen. Geparachuteerde agenten en verzetslieden.
Wilhelmina wordt voorgesteld als 'de moeder van het verzet'.
Als men weet hoe de Nederlandse handel en industrie, via de Commissie-Woltersom en met
goedkeuring van de Londense regering dus Wilhelmina, gegeven door Van Haersma de With in
Bern, zeer winstgevend heeft gecollaboreerd met de Duitsers, dan lijkt men zich jammergenoeg
over de rechtvaardiging van die eretitel geen illusies te kunnen maken.
Het verzet, dat zich niet wilde onderwerpen aan het 'gevestigde gezag', al was het dan het Duitse,
kon voor hen alleen maar schadelijk zijn, zoals het dat was voor de Duitsers - en zoals het dat
zou kunnen worden voor de naoorlogse 'vernieuwing' van Wilhelmina. Dus: weg ermee!
De Nederlandse secretarissen-generaal als Tenkink en Frederiks, de officiële
vertegenwoordigers van de Londense Regering (Wilhelmina) bij Seyss-Inquart, gaven daartoe
de opdrachten.
Wie mocht twijfelen aan de band tussen de Londense Regering (Wilhelmina) en de
collaborerende secretarissen-generaal in bezet Nederland, neme er nota van, dat op 22 juli '43
Jan Somer in Londen een bespreking had met Van Haersma de With. Die was intussen in volle
oorlog, natuurlijk met instemming van de Duitsers, uit Bern naar Londen gekomen en
secretaris-generaal van Gerbrandy geworden, "die een telegram naar Bern wil hebben om
advies of de drie secretarissen-generaal Hirschfeld, Verwey en Frederiks ontslagen moeten
worden." Maar het zou niet gebeuren (ik voeg hier nog toe, dat Hirschfeld en Verwey tot het
eind van de oorlog aanbleven).
Men zou later zijn handen in onschuld kunnen wassen, en alleen de Duitsers van de opruiming van
het verzet de schuld geven. Wat dan ook natuurlijk wel gebeurde.
Géén paniek! Het hele daadwerkelijke verzet betrof, volgens De Jong, maar een ½ % van de
totale Nederlandse bevolking. Eén op de 200. Tegen het eind van de oorlog werden zo nog twee
van de voornaamste verzetsleiders: Thijssen en Van Bijnen, gepakt en vermoord. Vanaf
september '44 werd het restant van het verzet onder Bernhard in de (Nederlandse) Binnenlandse
Strijdkrachten aan Oranje-banden gelegd, en tenslotte na de totale 'bevrijding' snel opgedoekt.
Ook in Frankrijk werd een verzetsgroep van zo'n 2000 man en vrouw, volgens gegevens in
opdracht van Churchill, in Duitse handen gespeeld en uitgemoord.
Niet alleen de Nederlandse handel en industrie voeren wel onder het nazistische regime.
Coca Cola besloot pas in augustus '42 om geen Amerikaanse grondstoffen meer naar haar
Duitse fabrieken te zenden. Haar Amerikaanse bankiers kwamen op 3 augustus '42 in
Berchtesgaden met Hitler praten. Ter vervanging werd Fanta op de markt gebracht, maar dat
werd toen een flop. Is het toeval dat later het 'Englandspiel ontmaskerd' zou moeten zijn (maar
dat in feite niet werd) door een latere Coca Cola-stafman?

Regeling 4.

Wilhelmina was de 'rijkste vrouw van de wereld'. Dat ben je niet zomaar. Daarvoor moet je
meestal, in 'een regeling', 'naar een zakelijke oplossing streven'.
Oranje was, sinds Wilhelmina's vader Willem III zijn neus in de Nederlandse zaken stak,
steenrijk geworden. Dat willen de erfgenamen dan graag zo houden. Daar moet nu Willem
Alexanders broer Friso voor zorgen. "De Nederlandse uitgave van het blad Esquire wist eind
verleden jaar te melden dat Friso door zijn moeder is uitverkoren als toekomstig beheerder van
het Oranje-kapitaal, dat heden op een slordige tien miljard gulden wordt geschat. Experts
stellen dat het beheer van een dergelijk kapitaal eigenlijk niet verenigbaar is met de bezetting van
de troon." Zo schrijft René Zwaap, onder de titel 'De vorst. Profiel: Prins Constantijn', in De
Groene Amsterdammer van 10-2-2001.

Regeling 5.

In Nederland blijkt nog steeds een 'regeling' van kracht. Die houdt in dat over het Huis van
Oranje geen kwalijke (maar wel degelijk feitelijke) zaken kunnen worden gepubliceerd.
Tenminste niet, waar het de kern van de zaak betreft. Zoals bij de 'regeling met de Duitsers'.
Wanneer men tracht deze taboe te doorbreken, dan stuit men overal op een muur. Een
voorbeeld:
Het tijdschrift 'terugblik '40-'45', maandblad van de 'documentatiegroep '40-'45', liet mij per
brief, onbeschaamd, het volgende weten: "Wij hebben tenslotte besloten dat uw commentaar /.../
zal worden afgedrukt, echter zonder uw kritiek op het koningshuis. Bij onze leden zou dit niet
goed vallen zoals ons is gebleken na de publicatie van uw artikel 'Over God, Reynders en
Oranje'."
"Voorts is in de redactievergadering besloten geen artikelen meer van uw hand op te nemen die
een duidelijk controversieel karakter dragen of het koningshuis betreffen. Dit om dezelfde reden als boven omschreven." (Vetmarkeringen door mij, CD)
Overigens kwam in deze 'terugblik' de Oranje aap weer eens uit de mouw. Vermeld werd dat de
voorzitter van de documentatiegroep Terugblik '40-'45, Wybo Boersma: "de versierselen
opgespeld (kreeg) van zijn bevordering tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau." Met een
variant op 'Wiens brood men eet, diens woord men spreekt' kan men zeggen: 'Wiens lint men
draagt, diens zaak men schraagt.'
Journalisten, op een enkele uitzondering na, kijken wel uit om gevoelige onderwerpen aan te
boren. Ze vliegen zo de laan uit, want de abonnee- en kijkcijfers dalen. Zelfcensuur is nog veel
doeltreffender dan opgelegde.
Fasseur kan ginnegappend door verschillende tv-uitzendingen laveren (Lagerhuis, studio nl),
waarbij hij evenals L. de Jong, steeds zijn eigen opvattingen onontwarbaar vermengt met de
historische feitelijkheden. Waardoor men totaal wordt misleid. Over de 'regeling met de Duitsers'
werd geen enkele vraag gesteld.
Van Thijn zegt op 26 februari jl. in de tv-uitzending Het zwarte schaap over het nietsbetekenende SS'erschap van Aantjens, nog meer geruststellend: "In Nederland zijn wij niet bij machte complotten te smeden."
Het hangt er maar van af, wat je 'complot' noemt. Zoals de Hofmans-zaak.

Regeling 6.

Er wordt graag aan herinnerd, dat de Duitsers zeiden: 'Wir haben es nicht gewuszt'.
Opgemerkt kan worden, dat de Nederlanders niet hebben geweten hoe slap hun houding tijdens
de bezetting was - en dat ook nu nog niet willen weten. Ook dat is een geregelde zaak.
Die slappe houding wordt nu ingehaald door de (ergerlijke) anti-Duitse houding van de
Nederlandse jongeren tegenover eveneens jongere Duitsers - die geen verantwoordelijkheid
dragen voor de daden van hun ouders. En dat, terwijl in Duitsland voorbeeldig wordt omgegaan
met het Duitse oorlogsverleden. Getuige diverse tv-uitzendingen daarover.
De genoemde niet-verantwoordelijkheid van de huidige Duitsers voor de daden van hun ouders
is niet van toepassing op die van Maxima ten opzichte van haar vader, daar het hier om een
vrouw gaat die een uitverkoren symbolische plaats in de Nederlandse samenleving zou hebben te
vervullen, en die dus uit een schoon en voorbeeldig nest moet komen.

Regeling 7.

Wordt het niet hoog tijd, dat in Nederland het eigen vuile Oranjestraatje eens grondig wordt
geveegd?
De Maxima-zaak kan daar een mooie aanleiding toe zijn.
Er zullen ééns toch spijkers met koppen moeten worden geslagen.
Zal nu, bijvoorbeeld, Groenlinks deze gelegenheid aangrijpen?

Regeling 8.

Met het oog op een vraag.
Na de 'bevrijding' stierven achtereenvolgens tal van zeer verdienstelijke verzetslieden door
schietpartijen, auto-ongelukken en dergelijke: mr. H. de Boer (aanslag op 10 mei 1945, dood op
3 juni), Ed. Necker Veterman (die een manuscript had over het Englandspiel, met zijn vrouw op
26 juni 1946), Rodrigues Lopes (ontsnapte er net aan), Pater Bleijs (1947), kapitein Welter, en
Van Nieuwenhijzen (op 9 augustus 1948 te Arnhem) waarbij Duitemijer overleefde, enz.
Mr. De Boer had zijn 'Zwarte Cahier' geschreven. Na zijn dood kwam Rameau, lid van het
Amsterdamse Bureau Nationale Veiligheid (voorloper van de BVD) er met de SD'er Postma het
cahier halen. Sanders, hoofd van de Opsporingsdienst van het BNV nam het schrift van Rameau
in bezit. Men zou en zal er niets meer over vernemen.
Op 14 september 1949 werd Schallenberg, een Duitser die al jaren in Nederland woonde en
met het verzet had samengewerkt, vermoord. De Nederlandse Rijksrecherche en Sanders waren
daarmee gemoeid.
Van Nieuwenhuijzen, alias Vogel, leider van de GDN, de verzets-inlichtingendienst, was op
zoek naar de documenten van de vermoorde Schallenberg. Maar Van Nieuwenhuijzen was in of
bij Arnhem tegen een boom geholpen.
Mijn vraag is nu: wie zou mij iets meer kunnen vertellen over deze topman van de Geheime
Dienst Nederland Van Nieuwenhijzen en bijbehorende zaken?
Het ziet er naar uit, dat een en ander in verband kan staan met de volgende regeling.
In het najaar van '44 zou Rauter aan Bodde (Verwalter van Philips) het voorstel zou hebben
gedaan, bezet Nederland tot neutraal gebied te maken (wat door Berlijn nog moest worden
goedgekeurd). Bodde zou dan leider van het Nederlandse volk worden. Deze besprak dit met
Van Nieuwenhuijzen. Dat was een "zeer behoorlijk verzetsman en inlichtingendienst-man". Hij
trok, in gezelschap van Willem Duitemeijer (directeur van het Nederlands recherche Bureau van
Gerrit van der Molen, op onderzoek uit naar Arnhem. "Zij werden te pletter gereden."
Duitemeijer overleefde. Diens opinie was: "Opzettelijke aanrijding."
In het Sanders schoonwassende boek De affaire Sanders van RIOD/NIOD-medewerker Aalders
zal men vergeefs naar een oplossing van de raadsels van deze zaken zoeken. Zij worden
eenvoudig niet vermeld.
Het heeft natuurlijk allemaal niets te betekenen, want sust Van Thijn niet: "In Nederland zijn wij
niet bij machte complotten te smeden"?