Vorige tekst van 5.12.00. herzien op 04.04.01.


Verzet.

Verzet werd enerzijds geboren uit sociaal medegevoel, sociale noodzaak, een gevoel van betrokkenheid bij wat er geschiedde. Ook vandaag kan men in verzet komen tegen wat er geschiedt: in de nabije omgeving, op nationaal gebied, of met betrekking tot de 'gewijzigde wereldomstandigheden', en de toekomst van de samenleving.
De term 'gewijzigde wereldomstandigheden' staat hier tussen aanhalingstekens. Het is ook al elders vermeld, maar het verdient te worden benadrukt: deze term werd gebruikt door Koningin Wilhelmina, de 'Moeder van het Verzet', in haar toespraak in september 1933 (8 maanden na de Machtsübernahme door Hitler in Duitsland)  tot het publiek. Niet om daartegen tot verzet op te roepen, maar om te vragen om 'aanpassing bij de gewijzigde wereldomstandigheden, welke onder Gods zegen ons weer een gelukkige toekomst brengen kan.'
L. de Jong kwam ons 36 jaar later echter de ware betekenis van deze woorden verklaren: "Impliciet behelsden deze en dergelijke, door haarzelf geformuleerde uitspraken een duidelijke afwijzing van wat maar zweemde naar fascisme, nationaal-socialisme of communisme."
Wie zou dat toen zo hebben kunnen begrijpen? Waarom zou zij dan niet duidelijker zijn geweest? Omdat dat als 'belediging van een bevriend staatshoofd' zou worden gekenschetst. Daarom werden toen ook anti-Hitler publicaties verboden, werd het verzet gesmoord.

Verzet tijdens de bezetting was iets anders. De noodzaak om iemand in huis te nemen die door de Duitsers werd vervolgd en onderdak zocht. Omdat hij jood was, of omdat hij was opgeroepen om in Duitsland te werken. Dat waren de voornaamste redenen. Niet iedereen voelde die sociale noodzaak, of durfde de gevolgen aan. Want daar stond de doodstraf op, en men liep het risico om door buren of anderen uit opzet of door kletspraat te worden verraden.
Er waren er ook die moesten onderduiken omdat de Duitsers hen wilden arresteren wegens illegale praktijken. Dat was de andere vorm van verzet, meer politiek en daadkrachtig van aard.
Veelal waren het dezelfde kringen die beide vormen van verzet pleegden.
Volgens de officiële Nederlandse geschiedschrijver Rijksambtenaar L. de Jong namen niet meer dan 52 000 Nederlanders daadwerkelijk deel aan het verzet. Dat betekent zo'n ½% van de toenmalige totale bevolking. Men had dus 200 mensen nodig om één verzetsdeelnemer te vinden!

Het feit dat uw dienaar ook aan dat verzet deelnam, dat zijn vader in een cel van ter dood
veroordeelden gevangen werd gezet, en dat verschillende van zijn kameraden door de Duitsers
zijn vermoord, is niet vreemd aan zijn obstinatie om helderheid te brengen.
De verzetsstrijders en de vanuit Londen ingezette agenten waagden hun leven voor wat zij dachten de 'goede zaak' te zijn. Ook wanneer in werkelijkheid anderen daar op hun manier van profiteerden, en zelfs wanneer men zich, ook toen al, daarvan bewust kon zijn, het kon geen beletsel zijn voor het vervullen van zijn sociale, nationale, en zelfs internationale plicht. (Wie spreekt vandaag nog van plicht? Daar komt geen democratische kiezer op af!)

Kreeg het verzet na de oorlog zijn verdiende plaats in het nieuwe bestuur van Nederland?
Nee. Wij hebben het al gezien in het vorige hoofdstuk, Collaboratie. Na de bevrijding werd het verzet  aan de kant gezet. Voormalige collaborateurs kwamen op de belangrijke plaatsen te zitten. Een voorbeeld.
De secretarissen-generaal - de hoogste bestuursambtenaren op de departementen, de mannen die weten waar Abraham de departementale mosterd haalt, en die vaak aanblijven ook als de minister wisselt - waren na de panische vlucht (zonder enig onderling overleg) van het staatshoofd koningin Wilhelmina en de Nederlandse Regering- in bezet Nederland achtergebleven. Als de officiële vertegenwoordigers van de Londense Nederlandse Regering - in feite koningin Wilhelmina - bij de burgerlijke bestuurder Seyss-Inquart. De dik collaborerende secretaris-generaal van Binnenlandse Zaken, Frederiks, liet het in september 1944 afweten. Prinsen (!) nam gretig zijn plaats in. Na de bevrijding werd Prinsen de eerste secretaris-generaal van Binnelandse Zaken...
Pas decennia later kwam het tot een onderscheiding, welke 'Verzetsherdenkingskruis' werd genoemd, zoiets als een herdenkingspenning voor een weldadigheidstentoonstelling.

Wij leven nu in een tijd waarin de vrijheid als hoogste beginsel wordt gebracht. Terwijl vrijheid in feite slechts het resulaat kan zijn van een samenleving waarin men eerst zijn plicht heeft gedaan. Men heeft de Rechten van de Mens willen verklaren. Maar dat was het paard achter de wagen spannen. Want die Rechten zouden automatisch zijn verzekerd met een Verklaring van de Plichten van de Mens. Maar het is hierboven al opgemerkt: daar komt geen democratische kiezer op af.
Wie wordt in deze tijd van vrijheid nog geconfronteerd met de voor onze samenleving zo
essentiële begrippen van liefde, zorgzaamheid en plichtsbetrachting?
Ik voel, zielig genoeg, dat ik een plicht heb, vooral tegenover de slachtoffers, om mijn opvatting van het gebeurde te publiceren - zelfs wanneer sommigen onder hen er moeilijkheden mee zouden hebben, of zouden willen weigeren, om te erkennen dat zij werden misleid.