Vorige tekst bijgewerkt op 1.12.00.


Nederlands Oost-Indië en de Nieuwe Orde.

Nederland werd na de Duitse inval op 10 mei 1940 door de Duitsers bezet, Nederlands Oost-Indië was volgens sommige opvattingen inbegrepen bij de capitulatie van 14 mei 1940.
Koningin Wilhelmina was naar Londen gevlucht, zonder enig overleg met de Nederlandse regering, die daarna ook naar Londen vertrok. Het gros van de secretarissen-generaal  bleef in Nederland achter, en zij werden de officiële vertegenwoordigers van de Nederlandse regering te Londen - in feite koningin Wilhelmina, bij de Duitse burgerlijke bestuurder Seyss-Inquart.

Koningin Wilhelmina, de 'rijkste vrouw ter wereld', had van huis uit bij erfenis persoonlijk grote belangen in die Nederlandse kolonie. De 'Koninklijke'/Shell en de Nederlandse Handelsbank, de 'bank der Oranjes', werden daarbij genoemd.
De vraag kan worden gesteld, of de behartiging van deze persoonlijke belangen als zakenvrouw, en die van Hare Majesteit Wilhelmina als Koningin der Nederlanden, wel voldoende afgezonderd werden gehouden. En de vraag kan worden gesteld, welke belang-stelling voor haar het zwaarst woog. Want al neeg Zij naar de mystiek, het belette haar niet om sommige zaken uiterst nuchter af te wegen.

Diverse reizen, van Jongejan en Boerstra, van De Geer, van Van Kleffens, Welter en Peekema, van Willems, blijken met de inlijving van Nederlands-Indië in de Nieuwe Orde in verband te staan. Zowel de regering te Londen, als de secretarissen-generaal bij Seyss-Inquart, en de Duitse regering te Berlijn, blijken daarmee gemoeid te zijn geweest.
Hoe was de politiek-militaire situatie?
Na maart 1942 was Nederlands-Indië bezet door Japan, en Suriname feitelijk door de USA. De enige met wier hulp Nederland het ooit, geheel of gedeeltelijk, terug zou kunnen krijgen waren natuurlijk niet de USA en Groot-Brittannië, maar het zegevierende Duitsland.
De gedachte van overdracht van delen van Nederlands-Indië aan Duitsland was niet nieuw.
Al in 1926 was er sprake geweest van de overdracht van Nieuw-Guinea en Borneo aan het Duitsland van keizer Wilhelm II.
In 1936 had De Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken en voormalig gouverneur-generaal van Nederlands-Indië, jhr.A.C.D. de Graeff in de Londense Times had verklaard: 'Nooit, nooit, zal Holland één vierkante inch van zijn grondgebied prijsgeven, ook niet om de aanspraken te dienen van andere naties'. Deze uitspraak was dus nodig gebleken.
In februari 1937 werd er niettemin overleg gepleegd tussen de Duitse ambassadeur in Londen, Von Ribbentrop, en het Foreign Office, de minister van Buitenlandse Zaken Eden, over het door Hitler gewenste herstel van Duitsland als koloniale mogendheid.
In de herfst van 1937 was er weer Duits-Brits contact over de Duitse koloniale eisen, waarna Mussolini zich achter Hitler had geschaard. Andermaal wees Eden de Duitse eisen af.
Maar in februari 1938 was zijn opvolger Lord Halifax er vóór.
Dat 'herstel van Duitsland als koloniale mogendheid' kon, wat de Britten betreft, desnoods ook ten koste van Nederland gaan.
Ondanks de verklaring van De Graeff in 1936 dat 'Nooit, nooit, zal Holland één vierkante inch van zijn grondhebied prijsgeven, ook niet om de aanspraken te dienen van andere naties', pleitte de vooraanstaande conservatief Lord Elibank in het Britse Lagerhuis "voor afstand van Nederlandse koloniën aan Duitsland". Enkele Nederlandse bladen reageerden fel, alleen De Telegraaf was duidelijk vóór.
Halifax had een bezoek aan Hitler gebracht, "waarbij niet alleen 'München' werd voorbereid en Hitler de vrije hand kreeg voor de annexatie van Oostenrijk, maar ook door de Brit koloniale beloften werden gedaan. Alles in het kader van een mogelijk Engels-(Frans)-Duits-Italiaans anti-Sovjet-bondgenootschap."
De Britse pro-Duitse elementen als Henderson waren al met de Belgische Van Zeeland en Franse Bonnet -München-kringen tot een alliantie gekomen.
Al betrof het hier in hoofdzaak Afrikaanse koloniën, de Aziatische Nederlandse werden niet versmaad.
In diezelfde tijd deed de nog altijd Nederlandse "openlijk en fanatiek tot het nazisme bekeerde oud-(?)Koninklijke/Shell-president Sir Henri Deterding" oa. "voorstellen in Londen, Washington (Stanvac) en Den Haag /.../ om de totale Indonesische olie-productie voor leverantie aan het Derde Rijk te reserveren." Het Deterding-Stavanc-plan.
De bankier dr. Ernst Heldring, topman in de danmalige Nederlandse geld- en Handelswereld, behalve bankier ook president van de Stoomvaartmaatschappij 'Nederland' en weldra ook van de Nederlandse Handelmaatschappij (waarvan Wilhelmina grootaandeelhoudster was), deze Heldring die bij Katherina von Pannewitz op bezoek kwam en eveneens bij Wilhelm II (in Doorn) en bij Göring, noteerde in zijn aantekeningen: "Duitslands koloniale wensen zijn nog niet bevredigd, evenmin als die van Japan. Tot nu toe spreekt Duitsland alleen van de teruggaven der mandaatgebieden, die het door de grote oorlog verloor", maar later worden de koloniale bezittingen van België, Portugal en Nederland er ook bij betrokken, in het bijzonder, zij het niet openlijk, Sumatra.
Heldring, die kort tevoren een reis door Azië had gemaakt, vermeldde de grote activiteit van vele aldaar en elders in de archipel aanwezige Duitsers, om. hun anti-Nederlandse propaganda, "en de berichten uit 1937, 'dat Japan en Duitsland het over een verdeling van Indië eens waren. Duitsland Java en Sumatra, Japan de rest.' Zover is het nog niet, en het verhaal is misschien geheel verzonnen, maar onwaarschijnlijk zijn zulke voorlopige besprekingen gans niet."

Praktische aanpak.

Bij de Nederlandse capitulatie op 14 mei 1944 was dus Nederlands-Indië inbegrepen.
Toen Nederlands-Indië in maart '42 door de Japanners was bezet, kon Nederland natuurlijk niet rekenen op Groot-Brittannië en de USA, maar uitsluitend en alleen nog op de hulp van Duitsland, om het ooit (gedeeltelijk) terug te krijgen.
Dit blijkt een belangrijk onderdeel uit te maken van de Nederlandse Londense regerings = Wilhelmina -betrekkingen met de als haar vertegenwoordiger bij de Duitse bezetter in Nederland achtergebleven secretarissen-generaal. Alles wijst er op, dat deze betrekkingen in de Nederlandse bijdrage aan het Englandspiel hun beslag hadden moeten vinden.
Mr.J.E. van der Starp, de verdediger van de 'verrader' Van der Waals, wees daar in februari 1950 als eerste op in zijn brochure Een dolkstoot in de rug van het Nederlandse volk. De brochure werd door de regering in beslag genomen, Van der Starp werd als advocaat geschorst en geschrapt. Dit gebeurde door de openbaar aanklager van Van der Waals voor het Bijzonder gerechtshof, mr. Henri (Harry) Willem Van Doorn. Deze was tevens Deken van de Orde van Advocaten, en zelf van collaboratie beschuldigd geweest, maar vrijgesproken.
Als verantwoordelijke van de POD (Politiek Opsporingsdienst) had hij verboden om de beruchte Haagse SD-er Frank naar Nederland te laten komen. Opmerkelijk is, dat Van Doorn voorzitter werd van de KRO (Katholieke Radio Omroep) en minister van Cultuur (BRM) zou zijn in het kabinet van de Bernhard-gezinde en zoveel mogelijk verdoezelende Den Uyl, met de dito Van Agt.

Dit is natuurlijk nog lang niet alles wat er over dit onderwep kan worden gezegd, maar het geeft al een beeld van de essentie.